zingen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
zingen zingend
zang gezongen
Woordafbreking
  • zin·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zingen
/ˈzɪŋə(n)/
zong
/zɔŋ/
gezongen
/ɣə'zɔŋə(n)
klasse 3 volledig

Werkwoord

zingen

  1. (muziek) het musiceren met de menselijke stem
    Zij zingen iedere zaterdag in een koor.
Verwante begrippen

Meer informatie