zigzaggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zig·zag·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zigzaggen
zigzagde
gezigzagd
zwak -d volledig

Werkwoord

zigzaggen

  1. inergatief een koers volgen die dan weer de ene kant dan weer de andere kant heengaat
    • Er werd gezigzagd om de trefkans te verlagen. 
  2. ergatief met een zigzaglijn zich ergens naartoe bewegen
    • Hij was naar de overkant van het veld gezigzagd. 
    • Maar er lagen nogal wat versperringen en tijdens het rennen had hij naar rechts moeten uitwijken. In het begin had hij de lijn gevolgd die door de luitenant was uitgezet, maar met die fluitende kogels en granaten ga je uiteraard zigzaggen. [1] 
  3. overgankelijk iets naaien met een zigzagsteek
    • De complete lap wordt dus eerst gezigzagd tegen het rafelen en gaat voor het naaiproces in de wasmachine. 


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 19
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be