zigzag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

zigzag schaduw op de trap
Uitspraak
Woordafbreking
  • zig·zag
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lijn met scherpe hoeken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1767 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zigzag zigzags
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zigzag m

  1. een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaat
    • Hij maakte een heel wat zigzags in zijn afdaling van die steile skipiste. 
Vertalingen

Bijwoord

zigzag

  1. met scherpe koersveranderingen
    • Hij kwam zigzag de heuvel af. 

Werkwoord

vervoeging van
zigzaggen

zigzag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zigzaggen
    • Ik zigzag. 
  2. gebiedende wijs van zigzaggen
    • Zigzag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zigzaggen
    • Zigzag je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen