ziemlich

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziem·lich
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse woord  zimelich bn , dat van het Oudhoogduitse woord  zimilīh bn  komt
Naar frequentie 538
stellend vergrotend overtreffend
ziemlich
ziemlicher
am ziemlichsten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

ziemlich

  1. (van omvang, hoeveelheid of vergelijkbaar) behoorlijk, redelijk, tamelijk
  2. (van gedrag; veroudernd)) betamelijk, gepast, voegzaam
Synoniemen
Typische woordcombinaties
  • [1]: mit ziemlicher Sicherheit
  • [1]: ein ziemliches Durcheinander

Bijvoeglijk naamwoord

ziemlich

  1. (in relatief hoge, grote, overvloedige afmetingen) al, behoorlijk, redelijk, vrij
    «Die Zuschauer sahen ein Spiel dem leider ziemlich früh die Spannung abhanden kam.»
    De toeschouwers zagen een spel dat helaas al vroeg de spanning verloor.
  2. bijna, circa, ongeveer