ziekteverzuim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziek·te·ver·zuim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziekteverzuim
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ziekteverzuim o

  1. de mate waarin werknemers van een bedrijf niet op het werk verschijnen op grond van hun gezondheidstoestand
    • De griepepidemie heeft het ziekteverzuim flink doen stijgen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.