zestigplusser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zes·tig·plus·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zestigplusser zestigplussers
verkleinwoord zestigplussertje zestigplussertjes

Zelfstandig naamwoord

zestigplusser m

  1. iemand van zestig jaar of ouder
    • Het entreekaartje voor het museum is voor zestigplussers twintig procent goedkoper. 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid