zenduur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zend·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zenduur zenduren
verkleinwoord zenduurtje zenduurtjes

Zelfstandig naamwoord

zenduur o

  1. een uur waarin men een uitzending verzorgt
    • Het aantal zenduren is verminderd met een. 

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.