zendgemachtigde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zend·ge·mach·tig·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zendgemachtigde zendgemachtigden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zendgemachtigde v/m [1]

  1. organisatie die radio- of televisieprogramma's mag uitzenden via de ether
    • De raad van toezicht heeft de vertegenwoordigers van de zendgemachtigden woensdag op de hoogte gebracht van het nieuwe beleid en van de sancties bij overtreding van de regels. Zenders die zich er niet aan houden gaan tijdelijk op zwart.[2] 
    • Vorig seizoen hadden de Nederlandse zendgemachtigden voor de Champions League na de winter tenminste nog PSV, maar deze jaargang overwinteren Veronica en Ziggo Sport met slechts Arjen Robben en Jasper Cillessen in het kampioenenbal.[3] 
Synoniemen
Hyponiemen


Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 02 feb. 2017
  3. de Telegraaf 25 nov. 2016