zemig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·mig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zemig zemiger zemigst
verbogen zemige zemigere zemigste
partitief zemigs zemigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zemig

  1. op een zeem gelijkend
    • De tabak werd over het algemeen wat zemig, wat wild en grof van steel bevonden, terwijl de brand evenwel vrij goed was.[1] 

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. blz 378 Tijdschrift voor nijverheid en landbouw in Nederlandsch-Indië, volume 34, 1887