zemel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·mel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vlies van graankorrels’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220 [1] [2]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord zemel zemelen
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord zemel zemels
verkleinwoord zemeltje zemeltjes

Zelfstandig naamwoord

zemel v / m [3]

  1. (voeding) bij het malen van graan afgescheiden en fijngemaakt vlies van de korrel
  2. zeur
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
zemelen

zemel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemelen
    • Ik zemel. 
  2. gebiedende wijs van zemelen
    • Zemel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zemelen
    • Zemel je? 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
75 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen