zeet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeet
enkelvoud meervoud
naamwoord zeet zeten
verkleinwoord zeetje zeetjes

Zelfstandig naamwoord

zeet o of v

  1. (verouderd) handeling van het zitten of plaats waar men dit doet
    • Het is of ge niet ter zeet komen kunt. 
  2. (verouderd) troon, machtspositie
    • Maar zoo ras als Clement de zeevende 't zeet raakte, dankte hy meester Fransois [...] daatelyk af, [...].[1] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. P.C. Hoofts eerste boek der Nederlandsche historien