zeemleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeem·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen zeemleren

Bijvoeglijk naamwoord

zeemleren

  1. van zeemleer vervaardigd
    • Ook de kop heb ik heel voorzichtig met een klein staafje met een zeemleren lapje proberen te reinigen. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.