zeelt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een vrouwelijke zeelt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zeelt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1420 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zeelt zeelten
verkleinwoord zeeltje zeeltjes

Zelfstandig naamwoord

zeelt v/m

  1. (vissen) Tinca tinca op Wikispecies een vis, behorend tot de karperachtigen
    • Hij ving een zeelt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen