zedigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zedigheid zedigheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zedigheid v

  1. het zich zedig gedragen
    • De zedigheid was ver te zoeken. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be