zedeloosheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·de·loos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zedeloosheid zedeloosheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zedeloosheid v

  1. zonder normen en waarden zijn, met name wat betreft de seksualiteit
    • Hij predikte hel en verdoemenis over de zedeloosheid van de gemeenschap. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.