zedeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zede met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zedeloos zedelozer zedeloost
verbogen zedeloze zedelozere zedelooste
partitief zedeloos zedelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

zedeloos

  1. zonder normen en waarden met name wat betreft de seksualiteit
    • Het is daar een zedeloze bende. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.