zeboe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·boe
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1770 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zeboe zeboes
verkleinwoord zeboetje zeboetjes

Zelfstandig naamwoord

zeboe m

  1. (veeteelt) Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt gedomesticeerd, en voornamelijk in tropische en subtropische klimaten gehouden wordt
    • Een zeboe heeft meer zweetklieren dan een Europees rund. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen