zat voor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zat voor
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
voorzitten

zat voor

  1. enkelvoud verleden tijd van voorzitten
    • Ik zat voor. 
    • Jij zat voor. 
    • Hij, zij, het zat voor. 


Gangbaarheid