zangerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zan·ge·rig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zang met het achtervoegsel -erig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zangerig zangeriger zangerigst
verbogen zangerige zangerigere zangerigste
partitief zangerigs zangerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zangerig

  1. alsof er gezongen wordt (in plaats van gesproken)
    • Velen vinden Zweeds een zangerigere taal dan Deens. 
  2. geneigd te zingen
    • Nee, dat hoef je van hem niet te verwachten, hij is niet zo zangerig. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.