Naar inhoud springen

zamel

Uit WikiWoordenboek
  • za·mel
vervoeging van
zamelen

zamel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zamelen
    • Ik zamel. 
  2. gebiedende wijs van zamelen
    • Zamel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zamelen
    • Zamel je? 
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  zamel     le zamel     zamels     les zamels  

zamel m

  1. (spreektaal) homo, nicht
    «J’suis l’homme, pas l’zamel
    Ik ben een man, geen mietje. [1]