zalven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zal·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zalven
zalfde
gezalfd
zwak -d volledig

Werkwoord

zalven

  1. overgankelijk met zalf bestrijken
    • Je moet die plek even zalven zodat het sneller geneest. 
  2. overgankelijk het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
    • De koningen van Israël werden tot koning gezalfd. 
  3. het spreken op een overdreven preektoon
    • Wat stond die dominee te zalven, zeg... 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zalven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zalf

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie