zaligen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·li·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zaligen
zaligde
gezaligd
zwak -d volledig

Werkwoord

zaligen

  1. (religie) rechtvaardigen tegenover God
    • ...die miljoenen eens zaligen zou. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zaligen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zalige

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.