zaksel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zak·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaksel zaksels
verkleinwoord zakseltje zakseltjes

Zelfstandig naamwoord

zaksel o

  1. datgene wat bezinkt uit een staande suspensie
    • We verwijderden eerst het zaksel. 

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be