zadelrug

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·del·rug
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zadelrug zadelruggen
verkleinwoord zadelrugje zadelrugjes

Zelfstandig naamwoord

zadelrug m

  1. een holle rug in de vorm van een zadel
    • En zette zich, na allerlaatste meerdere steile bestijging, ten langen leste, terwijl de zon onderging, op den Westelijken top van des bergs zadelrug.[1] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De bittere wijsgeer. Japansche legende van wijsheid.
    Uit: "Het snoer der ontferming en Japansche legenden"
    Louis Couperus. 1924