zadelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·de·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zadel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zadelen
zadelde
gezadeld
zwak -d volledig

Werkwoord

zadelen

  1. overgankelijk een zadel plaatsen op een rijdier
    • Ik zal even mijn paard zadelen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be