zadelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·de·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zadel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zadelen
zadelde
gezadeld
zwak -d volledig

Werkwoord

zadelen

  1. overgankelijk een zadel plaatsen op een rijdier
    • Ik zal even mijn paard zadelen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.