zachtmoedigheid
Uiterlijk
- zacht·moe·dig·heid
- Afgeleid van zachtmoedig met het achtervoegsel -heid.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zachtmoedigheid | zachtmoedigheden |
| verkleinwoord | - | - |
de zachtmoedigheid v
- de mate van zachtaardig zijn
- Zijn zachtmoedigheid werd behoorlijk op de proef gesteld.
- Het woord zachtmoedigheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.