zabberen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zab·be·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zabberen
zabberde
gezabberd
zwak -d volledig

Werkwoord

zabberen

  1. knoeien of kliederen
    • Laat hem maar even een zabberen. 
Schrijfwijzen

Gangbaarheid

10 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be