zabbelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zab·be·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zabbelen
zabbelde
gezabbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

zabbelen

  1. inergatief likken en zuigen aan iets
    • Jij bent altijd aan het zabbelen aan dingen. 
Schrijfwijzen

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.