woudreus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

aan de voet van een woudreus
Uitspraak
Woordafbreking
  • woud·reus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woudreus woudreuzen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

woudreus m [1]

  1. zeer grote boom die in het bos staat
    • Zes maanden geleden was het nog een enorm hoge woudreus, nu – ter vervanging van de oude - een spiksplinternieuwe visserskano. Eindbestemming: de kustwateren van dit natuurpark. „Reken op zeker twee dagen sleuren dwars door het bos”, kondigt onze gids Joseph aan. Vooralsnog zit het gevaarte muurvast in de struiken op de oevers, moeten er boompjes gekapt en een weg worden gebaand door het dichtbegroeide oerwoud.[2] 
    • Nadat de woudreus geveld was door moeder natuur verdienden omwonenden veel geld aan het verkopen van stekjes en kastanjes van 'Anne's boom'via Marktplaats.nl en aan toeristen.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf FLEUR SCHIFFELERS 11 aug. 2015
  3. Tubantia 10-01-17