woonboot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Woonboot in Amsterdam
Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·boot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonboot woonboten
verkleinwoord woonbootje woonbootjes

Zelfstandig naamwoord

woonboot v / m

  1. (scheepvaart) boot die uitsluitend wordt gebruikt om te wonen en waarmee nooit wordt gevaren
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be