wonnen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • won·nen

Werkwoord

vervoeging van
winnen

wonnen

  1. meervoud verleden tijd van winnen
    • Wij wonnen. 
    • Jullie wonnen. 
    • Zij wonnen. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.