woeligheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woe·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woeligheid woeligheden
verkleinwoord woeligheidje woeligheidjes

Zelfstandig naamwoord

woeligheid v / m

  1. het woelig zijn.
    • Er was een hoop woeligheid in de politiek dit jaar. 

Gangbaarheid