winteruur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de standaardtijd / wintertijd / winteruur die in het najaar weer ingaat na de zomertijd
Uitspraak
Woordafbreking
  • win·ter·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winteruur winteruren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

winteruur o

  1. de standaardtijd / wintertijd / die in het najaar weer ingaat na de zomertijd
    • 'De afwisseling in tijd veroorzaakt heel wat last bij mensen die zich moeten aanpassen én er zijn meer ongevallen.'In zijn ideale scenario blijft enkel het winteruur overeind. 'Anders is er in januari bijvoorbeeld pas licht om 10.00 uur in de voormiddag.'[1] 
    • De zomertijd komt eraan, we nemen dus weer afscheid van Winteruur. Tot de wintertijd weer zijn intrede doet, er zijn nog zekerheden in het leven. Wim Helsen is voor de gelegenheid zelf te gast, en wordt geïnterviewd door Maaike Neuville.[2] 
    • Al zijn niet alle parlementsleden gewonnen voor een afschaffing. ‘De nadelen van het omschakelen van zomer- naar winteruur wegen niet op tegen de voordelen. Denk aan zeven maanden een uur langer zonlicht, fijne zomeravonden, terrasjes… Noem het een betere levenskwaliteit’, zegt Europees Parlement Hilde Vautmans (Open VLD). ‘In de winter schijnt de zon dan weer vroeger, wat de veiligheid op de weg net ten goede komt.’[3] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen