winnend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·nend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: winnen
verbogen vorm: winnende

winnend

  1. onvoltooid deelwoord van winnen
  2. attributief gebruikt die wint
    • Het winnend team kreeg een beker uitgereikt. 
  3. bijwoordelijk gebruikt terwijl men wint
    • Het team sloot de laatste wedstrijd winnend af. 
stellend
onverbogen winnend
verbogen winnende
partitief winnends

Bijvoeglijk naamwoord

winnend

  1. een overwinning opleverend
    • Hij juicht na de winnende treffer. 
    • De winnende tijd was 2.15,30 

Gangbaarheid