winnend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·nend

Deelwoord

deelwoord
onverbogen winnend
verbogen winnende
vervoeging van
winnen

winnend onvoltooid deelwoord van winnen

  1. attributief gebruikt die wint, waarmee gewonnen wordt
    • Hij juicht na de winnende treffer. 
    • De winnende tijd was 2.15,30 
  2. bijwoordelijk gebruikt terwijl men wint
    • Het team sloot de laatste wedstrijd winnend af. 

Gangbaarheid