Naar inhoud springen

winkels

Uit WikiWoordenboek
  • win·kels

dewinkelsmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord winkel
     Hij was als een kantoorbediende die vier keer per dag dezelfde weg van zijn huis naar Zijn werk moet lopen, door een buurt zé armoedig dat noch de kleren van de mensen, noch de etalages van de winkels er met de seizoenen wisselen.[1]
     De handel stopte, winkels en bedrijven gingen op slot.[2]