winkelkar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

winkelkarretjes
Uitspraak
Woordafbreking
  • win·kel·kar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkelkar winkelkarren
verkleinwoord winkelkarretje winkelkarretjes

Zelfstandig naamwoord

winkelkar o [1]

  1. wagentje gemaakt van ijzerdraad waarin je tijdens het winkelen in een supermarkt de producten kunt leggen
    • Waarmee een ontploffende economie ook weer een keerzijde kan hebben volgens Uiterweerd. "We bieden prachtige afvalprogramma's aan. Maar een gezonde leefstijl begint met wat je tijdens de boodschappen in het winkelkarretje gooit. En er wordt wat in de winkelwagentjes gegooid nu het weer kan. Niet alleen de sportscholen veren weer op nu het over de volle breedte weer beter gaat."[2] 
    • De etiketten op producten in supermarkten zijn soms zo klein dat ze voor veel bezoekers niet leesbaar zijn. De Jumbo in Groot Driene heeft een oplossing: een vergrootglas op het winkelkarretje.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen