winkeldochter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·kel·doch·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkeldochter winkeldochters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

winkeldochter v [2]

  1. (figuurlijk) onverkoopbaar product
    • De GeenStijl-reporter en de programmamaker werkten ooit samen . “Toen ik bij PowNed werkte nam Dominique Weesie op een moment die winkeldochters van AT5 over. Waaronder Thijs Zeeman. Ze konden allemaal bijzonder weinig, maar eentje viel extra op. En dat was Thijs Zeeman. De man heeft geen humor. Echt nul. Gewoon niet.” [3] 
    • De nieuwe B-Klasse kwam er vooral om BMW bij te blijven, dat met de 2-serie Active Tourer en Gran Tourer goede zaken doet. Helaas gaat het met de MPV’s als geheel matig. Het lijkt wel alsof alles wat tegenwoordig niet minimaal een paar SUV-trekjes heeft bij voorbaat is gedoemd tot een bestaan als winkeldochter. [4] 
    • In 2015 had Servair een omzet van een kleine miljard, maar een bedrijfsresultaat van € 37 miljoen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat een een koper meer dan 10 keer het bedrijfsresultaat zal willen betalen. Servair begint met deze geschiedenis steeds meer op een winkeldochter te lijken, wat een prijsdrukkend effect heeft. [5] 


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen