winkelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

winkelaar die fruit verkoopt
Uitspraak
Woordafbreking
  • win·ke·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkelaar winkelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

winkelaar m [1]

  1. (beroep) een detailhandelaar die een winkel houdt of heeft
    • Er wordt vooral geklaagd over te late levering, het niet reageren op klachten van een winkelaar, en de weigering om geld terug te geven, ook als een product binnen de wettelijke termijn wordt teruggestuurd. [2] 
    • Roman Ostriakov werd in 2011 betrapt door een andere winkelaar, die de beveiliging inlichtte. Ostriakov had soepstengels afgerekend, maar had twee stukken kaas en een pakje worst in zijn zak gestopt. Vier jaar later werd hij schuldig bevonden aan diefstal en veroordeeld tot zes maanden cel en een boete van 100 euro, schrijft de BBC. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen