wimpelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wim·pel·de

Werkwoord

vervoeging van
wimpelen

wimpelde

  1. enkelvoud verleden tijd van wimpelen
    • Ik wimpelde. 
    • Jij wimpelde. 
    • Hij, zij, het wimpelde. 

Gangbaarheid