willens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wil·lens
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

willens

  1. met opzet, met voorbedachten rade
    • De komst van hem, wiens last men willens had geschonden,
      Hoe meer men wierd bedugt voor zulk een oogenblik,
      Alleen stond Fabius ontrefbaar voor de schrik.[1]
       
Uitdrukkingen en gezegden
  • willens en wetens
met opzet, in het volle besef dat men een overtreding of te laken daad begaat
  • willens nillens
tegen wil en dank, met tegenzin

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. blz. 68 Dichterlijke werken van Willem en Onno Zwier van Haren, Volume 2 1824