wildgroei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wild·groei
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wildgroei -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wildgroei m

  1. onstuimige, ongebreidelde groei
    • Na een meteorietinslag is er vaak sprake van een enorme wildgroei van varens. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie