wik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wik
enkelvoud meervoud
naamwoord wik wikken
verkleinwoord wikje wikjes

Zelfstandig naamwoord

wik v/m

  1. een doodlopend stuk sloot dat als haventje kan fungeren
  2. datgene wat op een waag gewogen wordt

Werkwoord

vervoeging van
wikken

wik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wikken
    • Ik wik. 
  2. gebiedende wijs van wikken
    • Wik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wikken
    • Wik je? 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders
77 % van de Vlamingen.