wieg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wieg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wieg wiegen
verkleinwoord wiegje wiegjes

Zelfstandig naamwoord

wieg v/m

  1. (meubel) een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wiegen

wieg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wiegen
    • Ik wieg. 
  2. gebiedende wijs van wiegen
    • Wieg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wiegen
    • Wieg je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen