wieg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wieg
enkelvoud meervoud
naamwoord wieg wiegen
verkleinwoord wiegje wiegjes

Zelfstandig naamwoord

wieg v/m

  1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
wiegen

wieg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wiegen
    Ik wieg.
  2. gebiedende wijs van wiegen
    Wieg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wiegen
    Wieg je?