Naar inhoud springen

wieg

Uit WikiWoordenboek
  • wieg
  • In de betekenis van ‘kinderledikant’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wieg wiegen
verkleinwoord wiegje wiegjes

dewiegv/m

  1. (meubel) een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
     De vloerplanken zijn van donker hout en Thea ziet er een wieg op staan.[3]
     Nog voordat Thea kan nadenken over de dingen die ze ziet, loopt de man snel door naar de wieg.[3]
  • aan de wieg staan van
betrokken zijn, verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van iets nieuws
Maar maakt ook duidelijk dat het museum altijd een belangrijke rol heeft gespeeld in het archeologisch onderzoek en aan de wieg heeft gestaan van de professionele archeologie in Nederland - met Reuvens als voortrekker.[4]
vervoeging van
wiegen

wieg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wiegen
    • Ik wieg. 
  2. gebiedende wijs van wiegen
    • Wieg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wiegen
    • Wieg je? 
    • Ik wieg de kleine baby in mijn armen. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]