wiebelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wie·be·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wankelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]

Werkwoord

wiebelen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wiebelen
wiebelde
gewiebeld
zwak -d volledig
  1. inergatief heen en weer bewegen bij staan of zitten
    • Het onrustige kind wiebelde de hele dag op haar stoel. 
  2. inergatief onzeker staan
    • De vaas wiebelde en viel in stukken op de grond. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen