wiebelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wie·be·len

Werkwoord

wiebelen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wiebelen
wiebelde
gewiebeld
zwak -d volledig
  1. inergatief heen en weer bewegen bij staan of zitten
    Het onrustige kind wiebelde de hele dag op haar stoel.
  2. inergatief onzeker staan
    De vaas wiebelde en viel in stukken op de grond.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.