wettigt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wet·tigt

Werkwoord

vervoeging van
wettigen

wettigt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wettigen
    • Jij wettigt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wettigen
    • Hij wettigt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van wettigen
    • Wettigt!