werkten
Uiterlijk
- werk·ten
| vervoeging van |
|---|
| werken |
werkten
- meervoud verleden tijd van werken
- Wij werkten.
- Jullie werkten.
- Zij werkten.
- Wij werkten.
- ▸ Vrouwen uit de arbeidersklasse werkten in de huishouding of in de verpleging, of waren fabrieks- of winkelmeisjes of typistes zoals ik, en dat was al tientallen jaren zo.[1]
- ▸ Maar exact op dit moment werkten in Parijs vrouwen als Amrita Sher-Gil, Meret Oppenheim en Gabriele Münter - Olive had hun werk met eigen ogen gezien.[1]
- Het woord werkten staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704