werden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wer·den

Werkwoord

vervoeging van
worden

werden

  1. meervoud verleden tijd van worden
    Wij werden.
    Jullie werden.
    Zij werden.


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • wer·den
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
werden
[ˈveːɐ̯dn̩]
wurde
[vʊʁdə]
geworden
[ɡəˈvɔʁdn̩]
volledig

Werkwoord

werden

  1. (koppelwerkwoord) worden
  2. (hulpwerkwoord) zullen
    «Ich werde sie morgen anrufen, wenn ich zurückkomme.»
    Ik bel ze morgen, als ik weer terug ben.