wekte
Uiterlijk
- wek·te
| vervoeging van |
|---|
| wekken |
wekte
- enkelvoud verleden tijd van wekken
- Ik wekte.
- Jij wekte.
- Hij, zij, het wekte.
- Ik wekte.
- Het woord wekte staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
| vervoeging van |
|---|
| wekken |
wekte