wegwezen/vervoeging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
vervoeging van de bedrijvende vorm wegwezen
tegenwoordige tijd verleden tijd toekomende tijd
enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud
ik ben weg,
(bijzin) wegben
wij, we zijn weg,
(bijzin) wegzijn
ik was weg,
(bijzin) wegwas
wij, we waren weg,
(bijzin) wegwaren
ik zal wegwezen wij, we zullen wegwezen
jij, je, U
gij, ge
bent weg,
(bijzin) wegbent
zijt weg,
(bijzin) wegzijt
jullie zijn weg,
(bijzin) wegzijn
jij, je, U
gij, ge
was weg,
(bijzin) wegwas
waart weg,
(bijzin) wegwaart
jullie waren weg,
(bijzin) wegwaren
jij, je, U
gij, ge
zal, zult wegwezen
zult wegwezen
jullie zullen wegwezen
hij, zij, het is weg,
(bijzin) wegis
zij, ze zijn weg,
(bijzin) wegzijn
hij, zij, het was weg,
(bijzin) wegwas
zij, ze waren weg,
(bijzin) wegwaren
hij, zij, het zal wegwezen zij, ze zullen wegwezen
onvoltooid deelwoord voltooide tijd gebiedende wijs aanvoegende wijs
(wegwezend) weggeweest zijn wegwezen!
wees weg, weest weg
(zij weg)
(bijzin) (wegzij)