weeïgheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wee·ïg·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weeïgheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weeïgheid v [1]

  1. de mate waarin iets (al te) zoet is
    • Gaan Taveners orkestwerken en andere grootschalige stukken nog weleens ten onder aan een overmatige zoetheid of weeïgheid, zijn pianomuziek is geconcentreerder en om die reden vaak veel overtuigender. Vaak, want ook hier loopt het in het langste stuk, Pratirupa (2003), soms wat uit de hand. [2] 
    • Ik was nog geen kwartier het Centraal Station uit, toen ik ineens die bekende weeïgheid voelde. Het was verwarrend, waar kwam die droefenis vandaan terwijl iedereen dolblij was dat ik er was, ik voorop? [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Het Parool 16 JULI 2008 **** © UNKNOWN V Klassiek: Ralph van Raat - John Tavener Piano music
  3. Het Parool 12 SEPTEMBER 2008 ELS QUAEGEBEU Heimwee